Cursus Klein Vaarbewijs I

Proefexamen

Proefexamen 1

Op het examen heeft u 60 minuten de tijd om 40 meerkeuze vragen te beantwoorden.
Een vraag levert 1, 2 of 3 punten op. Er zijn maximaal 80 punten te behalen.

Om te slagen moet u tenminste 56 punten behalen.

Uw score voor dit proefexamen

Zodra u in het onderstaande proefexamen op een antwoord klikt, kleurt de achtergrond groen indien u het juiste antwoord gaf. Indien u een vraag onjuist beantwoordt, wordt de achtergrond rood en verschijnt het juiste antwoord in groen.

Nadat u alle vragen heeft beantwoord, klikt u rechts onderaan op 'Uitslag bekijken'. We raden u aan uw antwoorden niet te corrigeren zodat u achteraf kunt zien of u geslaagd zou zijn.

1 1

WETTELIJKE BEPALINGEN VOOR ZOVER VAN BELANG VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VAART

Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden een schip te voeren of te besturen met een alcoholpromillage in zijn bloed hoger dan: 

Toelichting op vraag 1

Als de schipper niet stuurt mag de stuurman ook niet meer dan 0,5 promillage in het bloed hebben.

Drugs en medicijnen die de rijvaardigheid (stuurvaardigheid) beïnvloeden mogen ook niet gebruikt worden.

Mocht de schipper/stuurman alcohol hebben gedronken en nog niet het 0,5 alcohol promillage bereikt hebben, maar zich niet helemaal helder voelen, dan mag hij niet verder varen.

1 2

U vaart van Alkmaar via het Noordhollandsch Kanaal naar Den Helder.
U gaat via de sluis 'naar buiten', de Waddenzee op.
Via de sluis bij Den Oever over het IJsselmeer naar Enkhuizen.

Met welk scheepvaartreglement of met welke scheepvaartreglementen heeft u onderweg te maken?

Toelichting op vraag 2

Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is ook op de Waddenzee en het IJsselmeer van toepassing.

Bij het eerste antwoord staat ter misleiding Scheepvaartreglement Waddenzee (SRW). Dit reglement bestaat niet. Het Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW) bestaat wel.

1 3

Een schip dat onder zeil vaart en dat tevens de motor gebruikt is volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) een:

Toelichting op vraag 3

 

Als een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt toont het een zwarte kegel met de punt naar beneden. Het valt nu onder een motorschip.

2 4

's Nachts ziet u een groen en een rood licht.

Dit is volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) het vooraanzicht van:

Toelichting op vraag 4

Een klein zeilschip voert alleen de boordlichten en het heklicht. Klein is onder de 20 meter.

Deze drie lichten mogen verenigd in één lantaarn aan de top van de mast.

Uitzondering is een zeilboot tot 7 meter. Deze kan volstaan met een rondom schijnend wit licht.

Het tweede licht uitsluitend te tonen bij het naderen van een ander schip bij gevaar voor aanvaring.

2 5

Als u met uw boot overdag in of nabij een vaarwater ten anker ligt, wat moet u dan doen volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?

Toelichting op vraag 5

1 6

Als op de Gelderse IJssel of op de Maas gevreesd wordt dat de bedoeling van het opvarende schip niet door het afvarende schip begrepen is, moet het opvarende schip – als het voorbijvaren bakboord op bakboord moet gebeuren – het volgende sein geven:

Toelichting op vraag 6

Bakboord op bakboord voorbij varen betekent elkaar op de normale manier ontmoeten.

Bij twijfel moet eén korte stoot gegeven worden. Dit ter bevestiging dat stuurboord aangehouden wordt.

2 7

U vaart met een klein schip op de Lek en kruist het Amsterdam-Rijnkanaal bij Wijk bij Duurstede.
U wilt gebruik maken van de Prinses Irenesluis, die bereikbaar is op kanaal 22.

De verkeerspost Wijk bij Duurstede is bereikbaar op marifoon kanaal 60.
U heeft twee marifoons, in het bezit van het Basiscertificaat Marifonie en mag er gebruik van maken.

Wat moet u doen volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?

Toelichting op vraag 7

U wilt bijvoorbeeld met een klein schip vanaf de Lek het Amsterdam-Rijnkanaal op om via de Prinses Irenesluis bij Wijk bij Duurstede geschut te worden. Vanaf de Lek is daar een druk kruispunt met grote schepen.

Als u twee marifoons heeft moet u op één marifoon de Verkeerspost Wijk bij Duurstede op kanaal 60 uitluisteren om te horen of er verkeer is op het kruispunt.

Op de andere marifoon luistert u de Prinses Irenesluis uit op kanaal 22 om te horen wanneer, hoe en in welke sluis u straks geschut wordt.

3 8

Klein motorschip Ger volgt de stuurboordzijde van de betonde vaargeul.
Van buiten de vaargeul nadert motorschip Arend, die 18 meter lang is en een gele ruit voert.
Er bestaat gevaar voor aanvaring.

Wat bepaalt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?

Toelichting op vraag 8

Ger volgt de betonde vaargeul aan stuurboordzijde. 

Arend voert een gele ruit, omdat het korter is dan 20 meter en meer dan 12 passagiers mag vervoeren. Het is een passagiersschip en heeft daardoor dezelfde rechten als een groot schip. Ondanks dat moet Arend voorrang verlenen, omdat Ger de stuurboordzijde van de betonde vaargeul volgt.

3 9

In een vaarwater met een engte naderen twee kleine zeilschepen elkaar op tegengestelde koersen.
Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk.

Wie moet volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) voorrang verlenen?

Toelichting op vraag 9

Klein zeilschip Kim dat met het grootzeil over stuurboordboeg zeilt en de engte bezeild heeft moet voorrang verlenen aan het op tegengestelde koers naderend klein zeilschip Pam dat over bakboordboeg zeilt en dat de engte eveneens bezeild heeft.

Bij deze situatie met twee kleine motorschepen moet X voorrang verlenen, omdat X aan zijn zijde een hindernis heeft.

3 10

In een smal vaarwater kruist klein zeilschip met de naam 'Voor de wind'.
Het tegemoetkomend klein motorschip Job volgt niet de stuurboordzijde van het vaarwater.

Wie moet volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) voorrang verlenen?

Toelichting op vraag 10

Klein motorschip Job volgt NIET de stuurboordzijde en moet daarom voorrang verlenen aan klein zeilschip 'Voor de wind'.

Als klein motorschip Job wel de stuurboordzijde van het vaarwater volgt, dan moet klein zeilschip 'Voor de wind' voorrang verlenen.

3 11

In een smal vaarwater wordt klein zeilschip Lot opgelopen door klein zeilschip Nel.
Voorbijlopen door klein zeilschip Nel kan alleen gebeuren met medewerking van klein zeilschip Lot.
De wind komt van bakboord in.

Wat moet er volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) gebeuren?

Toelichting op vraag 11

Lot verleent medewerking door zo veel mogelijk naar stuurboord uit te wijken.
Nel moet aan de kant waar de wind vandaan komt (loefzijde) oplopen, zodat de wind uit de zeilen van Lot genomen wordt. Deze zal daardoor vanzelf vaart minderen, waardoor Nel voorbij kan lopen.

2 12

Bij het wachten voor de sluis en liggend in de sluis zijn schepen verplicht uit te luisteren op het marifoon werkkanaal van deze sluis.

Deze verplichting geldt volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR):

Toelichting op vraag 12

Kleine schepen (onder de 20 meter) zijn niet verplicht om een marifoon te hebben. Als een marifoon aan boord is moet een registratiebewijs en ten minste één persoon aan boord aanwezig zijn met het bedieningscertificaat Marifonie.
U moet gebruik van maken van de marifoon. Er is een uitluister- en communicatieplicht. In dit geval moet u uitluisteren op kanaal 20.

Het blauwe bord met de pijl geeft de aanbevolen vaarrichting aan voor alle schepen.

2 13

Volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) spreekt men in de scheepvaart over mist als het zicht minder is dan:

Toelichting op vraag 13

Bij slecht zicht is het zicht tussen de 1000 en 4000 meter.

Mist is een weersverschijnsel, waarbij kleine water druppeltjes in de lucht zweven. Dit beperkt de zichtbaarheid.

Bij mist is het zicht minder dan 1000 meter.

Bij dichte mist is het zicht minder dan 200 meter.

Bij zeer dichte mist is het zicht minder dan 50 meter.  

2 14

Welk schip ligt volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) stil?

Toelichting op vraag 14

Een schip is stilliggend als het ten anker of gemeerd ligt. Gemeerd willen zeggen dat het aan de wal of aan een meerpaal afgemeerd ligt.



Het gebruik van spudpalen valt ook onder ankeren. Het zijn verticale buizen die door het vlak van een vaartuig worden gestoken om deze te verankeren.

Dit wordt steeds meer op grote schepen en zelfs op sommige plezierjachten toegepast. Met één druk op de knop ligt het schip met telescopische spudpalen muurvast. 

2 15

Wat is volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) een waterscooter?

Toelichting op vraag 15

Een waterscooter valt onder een snelle motorboot, waarvoor een vaarbewijs verplicht is.

Een snelle motorboot en daarom ook een waterscooter moet minimaal zijn uitgerust met:

- reddingsvesten onder handbereik voor ieder der opvarenden.

- een deugdelijke brandblusapparaat van minimaal 2 kg.

- een dodemansknop.

Een snel schip is iets heel anders. Dit is een groot schip dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen, zoals een snelle veerpont.

1 16

Een alleen varend klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 meter en een hoogst bereikbare snelheid van 13 km per uur, moet volgens het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) ten minste de volgende navigatielichten voeren:

Toelichting op vraag 16

In het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is voor een open motorboot, die niet harder kan dan 13 km/uur, 's nachts en bij slecht zicht een rondom schijnend wit licht voldoende.

In het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) moeten, behalve het rondom schijnend wit licht, ook boordlichten gevoerd worden.
Door de boordlichten is het voor andere schepen duidelijker in welke richting het vaart.

Deze combinatie mag ook: een toplicht,de  boordlichten en het heklicht.

2 17

Bij een engte, waar gelijktijdige doorvaart niet mogelijk is, vaart klein motorschip Kees met de stroom mee.
Aan de andere kant van de engte nadert groot motorschip Adrie.

Wie moet volgens het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) voorrang verlenen?

Toelichting op vraag 17

Deze vraag gaat niet over het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), maar over het Rijnvaartpolitiereglement (RPR).

In het RPR moet een klein schip altijd voorrang verlenen aan een groot schip. Daarom moet klein schip Kees voorrang verlenen.

2 18

Klein zeilschip Dorus vaart op het hoofdvaarwater en wil rechtdoor.
Groot motorschip Karel wil de haven verlaten en daarna naar bakboord.
Voor de havenuitgang is bord B.9a geplaatst.

Wat is juist volgens het Rijnvaartpolitiereglement (RPR)?
 

Toelichting op vraag 18

In het RPR moet een groot schip bij een B.9a bord voorrang verlenen aan een groot schip op het hoofdvaarwater, maar niet aan een klein schip op het hoofdvaarwater. Dorus moet voorrang verlenen aan Karel.

In het RPR moet een klein schip overigens altijd voorrang verlenen aan een groot schip.

In het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is dit anders. Daar moet bij een B.9a bord elk schip op het nevenvaarwater voorrang verlenen aan een groot of klein schip op het hoofdvaarwater. In het BPR moet Karel bij dit B.9a bord voorrang verlenen aan Dorus. 

1 19

DE BEHANDELING VAN DE VOORTSTUWINGSWERKTUIGEN; VEILIGHEIDSMAATREGELEN en MILIEU   

Twee accu's zijn zo geschakeld dat de spanning tussen P en Q gelijk is aan:

Toelichting op vraag 19

Door de plus aan de plus en de min aan de min te verbinden zijn de twee accu's  parallel geschakeld en daardoor blijft het 12 volt.

1 20

Op het instrumentenpaneel kan zich een controlelampje voor de oliedruk bevinden.

Als dit lampje bij draaiende motor gaat branden, is:

Toelichting op vraag 20

Als het lampje voor de oliedruk gaat branden is het oliepeil te laag. De motor wordt dan te weinig gesmeerd.

Olie koelt ook. Bij te weinig olie wordt de motor te heet en loopt uiteindelijk vast.

3 21

Water is als blusmiddel alleen geschikt bij:

Toelichting op vraag 21

Klasse A: branden van vaste stoffen die onder gloedvorming verbranden zoals papier, stro, hout, textiel, schuim - rubber en andere kunststoffen.

Water is alleen geschikt om A branden te blussen.

Klasse B: branden van vloeistoffen zoals alcohol, benzine, diesel, verfverdunner, terpentine, olie, vet, teer en gesmolten plastic.

Vloeistofbranden nooit met water blussen, omdat de brandende vloeistof zoals olie op het water drijft en zich daardoor over het gehele schip verspreidt.

2 22

Welke van de afgebeelde vestlabels zijn reddingsvesten?

Toelichting op vraag 22

Label 50 is geen reddingsvest, maar een zwemvest. Een zwemvest valt NIET onder een goedgekeurd reddingsmiddel. Het is slechts een hulpdrijfmiddel dat de drager extra drijfvermogen geeft en daardoor het zwemmen gemakkelijker maakt. Bij een zwemvest (label 50) komt de drenkeling niet automatisch op de rug te liggen, zoals bij een reddingsvest.

De labels 100, 150 en 275 zijn wel reddingsvesten die zijn goedgekeurd als reddingsmiddel.

Label 100 is voor volwassenen en kinderen die kunnen zwemmen en zich op binnenwater of beschut water bevinden.

Label 150 is onder vrijwel alle omstandigheden veilig bij bewusteloosheid. Bij het dragen van zware waterdichte kleding beperkt veilig bij bewusteloosheid.

Label 275 is geschikt voor zowel zwemmers als niet – zwemmers op open zee en onder extreem zware omstandigheden. Dit vest is ook geschikt voor dragers van zware waterdichte kleding en is onder vrijwel alle weersomstandigheden volkomen veilig bij bewusteloosheid.

3 23

Dit is een:

Toelichting op vraag 23

Door het schip moet een vaste koperen of roestvaststalen (rvs) pijp worden gebruikt.
Deze mag niet door een gat van de ene ruimte naar de andere ruimte.


Tussen elk schot moet als verbinding een schotdoorvoer gemonteerd worden.

2 24

Hoe moet een radarreflector worden opgehangen?

Toelichting op vraag 24

Zoals u een radarreflector op een tafel neerzet, zo moet deze worden opgehangen.
Recht van onder.

Diagonaal, met de punt omhoog en omlaag werkt de reflector nauwelijks.

2 25

WATERWEGEN; OMSTANDIGHEDEN VAN HET VAARWATER; METEOROLOGIE    

Een schip volgt de zwarte pijl.
De bolle ton is van onderen groen en van boven rood.
Het topteken is een rode cilinder.

Wat is juist ten aanzien van hoofd- en nevenvaarwater?

Toelichting op vraag 25

De kleuren van de tonnen komen overeen met de kleuren van de boordlichten.
Rechts (stuurboord) groen en links (bakboord) rood. Het schip komt vanaf zee en vaart stroomopwaarts.

Nadat het schip naar bakboord is gedraaid heeft het aan bakboord een rood topteken en aan stuurboord een rode ton. Omdat het op dit moment dezelfde kleuren zijn, weet u dat u een nevenvaarwater in vaart.
Daarna zijn de kleuren aan bakboord en stuurboord weer verschillend.

2 26

In het cardinale markeringssysteem kan een lichtboei ten oosten van een te markeren punt het volgende lichtkarakter hebben:

Toelichting op vraag 26

Als u de vier lichtboeien om het wrak als een klok ziet, dan is het bij de oostboei drie uur. Daarom zal het licht daar 's nachts om de vijf seconden drie keer aan en uit gaan: VQ (3) 5s

VQ betekend Very Quick, zeer snel aan en uit.

Er kan ook Q (3) staan. Dit betekent Quick. Iets minder snel aan en uit.

1 27

Voor een vaste brug staat deze hoogteschaal.

Hoeveel ruimte heeft u onder de brug met deze waterstand?

Toelichting op vraag 27

Zodra een cijfer geheel zichtbaar is dan geeft dit het aantal meters aan.
Het is nog geen 11 meter, omdat de 11 nog niet geheel zichtbaar is.
De 10 is wel geheel zichtbaar. Het is in ieder geval 10 meter.
Links onder de 10 zijn om en om een aantal zwarte en gele blokken. Elke blokje is 1 dm.
De ruimte onder de brug is 10 meter en 4 dm.

3 28

Op de waterkaart staat D 12.
KP = NAP + 2 dm.
Op de peilschaal leest u af dat de waterstand gelijk is aan NAP.
De diepgang van het schip is 70 cm.

Bij doorvaart door het kanaal blijft onder de kiel nog over:

Toelichting op vraag 28

Toen dit vaarwater gegraven was werd de diepte vastgesteld op 12 dm ten opzichte van het streefpeil.

In de waterkaart staat bij dit vaarwater daarom D 12.
D 12 wordt Kanaalpeil (kaartpeil) genoemd.

Om te weten te komen hoe diep het water nu is moet er gekeken worden of de waterstand gestegen is, hetzelfde gebleven is, of gezakt is.

Is de waterstand hetzelfde gebleven dan blijft de diepte 12 dm.
Is de waterstand gezakt dan blijft er minder diepte over.
Is de waterstand gestegen dan hebben meer dan 12 dm diepte.

De waterstand van het streefpeil ten opzichte van het NAP 0 vindt u in de Wateralmanak deel 2.
Bij de vorige vraag staat in de Wateralmanak deel 2: KP = NAP + 2 dm.
Kanaalpeil is hetzelfde als diepte in de kaart, dus 12 dm.

Die 12 dm is gemeten vanaf een waterstand van NAP + 2 dm tot aan de bodem.
De waterdiepte was toen 12 dm, maar gemeten vanaf 2 dm boven NAP 0.

Om te weten hoe waterstand nu is het nodig om op dezelfde peilschaal te kijken of het water gestegen, gezakt of hetzelfde gebleven is.

Bij deze vraag is de waterstand nu niet meer 2 dm boven NAP, maar precies NAP 0.

Het water is sindsdien van 2 dm boven NAP gezakt naar NAP 0.
Dat betekent dat de waterstand sindsdien 2 dm gezakt is en daarom niet meer 12 dm is maar 12 dm – 2 dm = 10 dm = 100 cm.

De diepgang van uw schip is 70 cm, dus blijft er 30 cm ruimte onder de kiel over.

2 29

De wind is noordoost.

De wind waait dan:

Toelichting op vraag 29

Wind wordt aangegeven waar die vandaan komt.

Deze komt uit het noordoosten en gaat richting zuidwesten.

2 30

Welke winden draaien met de wijzers van de klok mee?

Toelichting op vraag 30

Bij een hoge druk draait de wind met de wijzers van de klok mee en van het centrum af.
Deze beweging, die als het ware de ruimte in slingert, heeft de bijnaam 'ruimende wind'.

2 31

Bij welk(e) bord(en) mag u wel ankeren?

Toelichting op vraag 31

Bij het eerste bord is het verboden te ankeren en te meren.

Bij het tweede bord is het verboden te ankeren en ankers, kabels en kettingen te laten slepen.

Bij het 3e bord is het verboden te meren. Hier mag wel geankerd worden.

2 32

Wat is de betekenis van dit bord?

Toelichting op vraag 32

Bij bovenstaand bord mag geankerd of gemeerd worden tot ten hoogste 20 meter links en rechts van het bord.

Hier mag aan de gehele zijde van de vaarweg waar het bord is geplaatst geankerd of gemeerd worden.

2 33

VAREN; MANOEUVREREN; BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN    

U vaart in een vaarwater dat zo smal is, dat het schip niet in één keer rond kan draaien.
U wilt keren en uw schip is uitgerust met een rechtse schroef.

Uw schip draait het beste over:

Toelichting op vraag 33

Omdat het vaarwater te smal is om in één keer te kunnen keren moet u met een rechtse schroef eerst naar bakboordzijde van het vaarwater.

Soms wordt er gevraagd waar u de keermanoeuvre moet beginnen. In dit geval is dat aan bakboordzijde van het vaarwater. Maar bij deze opdracht wordt er gevraagd hoe u het beste draait en dat is over stuurboord.

Vlak voor de stuurboord oever moet u achteruit slaan en hierbij zal door het wieleffect van de rechtse schroef de achterkant naar links (bakboord) gaan. U wordt nu door het wieleffect geholpen om in de juiste richting te komen en sneller te keren.

2 34

U wilt met uw boot met een rechtse schroef aan een kade afmeren.
Op de plekken B en C hangen al stootwillen op.
Als u een derde stootwil zou willen ophangen, op welke plek kunt u dat het beste doen?

Op plek A of plek D?

Toelichting op vraag 34

Met een rechtse schroef meert u bij voorkeur aan bakboordzijde van het vaarwater af.
In de praktijk is dit niet altijd mogelijk, zoals in dit voorbeeld.

Om straks aan de kade stil te liggen moet u op het laatste moment even achteruitslaan.
Een rechtse schroef draait in achteruit naar links en zal dan de achterkant naar bakboord trekken en daardoor het voorschip naar stuurboord. Daarbij zal ook de wind het voorschip naar de kant drukken.
Daarom moet u in dit geval uit voorzorg stootwil D ophangen. 

2 35

Een kleine motorboot heeft een 200 pk motor.
Tijdens de normale loop (stationair) is de minimale snelheid 6 km/uur.
Bij het beginnen te varen komt de boeg omhoog bij 16 km/uur.
Bij 25 km/uur zakt de boeg en gaat de boot planeren.
De maximum snelheid is 60 km/uur.

Wanneer veroorzaakt de boot de grootste golven?

Toelichting op vraag 35

Komt een speedboot vanaf een lage snelheid op zijn rompsnelheid dan zal het achterschip in het water getrokken worden. Het moet veel water verplaatsen en zal daardoor een hinderlijke hoge hekgolf veroorzaken.

Boven de rompsnelheid zal het gaan planeren en minder golfslag veroorzaken.

2 36

Tijdens het schutten in een sluis verbiedt het BPR om ligplaats te nemen tussen de sluisdeur en de stopstreep op de muur.

Waarom moet die ruimte vrij blijven?

Toelichting op vraag 36

 

8.%20stopstreep

In een sluis zo ver mogelijk naar voren plaats nemen, maar niet verder dan de stopstreep of een rood licht.
Dit om te voorkomen dat u bekneld raakt tussen de deuren die na het schutten open gaan. 

2 37

Bij het langszij slepen bevindt het slepende schip zich bakboord van het gesleepte schip.
 
Wat is juist?

Toelichting op vraag 37

Langszij slepen doet u alleen bij het afleveren aan een steiger of als er een sluis gepasseerd moet worden. Als er weinig ruimte is om met de sleep te manoeuvreren.

Bij het naast elkaar gekoppeld slepen is de bestuurbaarheid zeer beperkt.
Omdat er maar één werkende schroef is die niet in het midden zit, is het moeilijk om een bocht te maken.

Als de achterkant van het slepend schip X iets uitsteekt en de boeg naar het te slepen schip Y, wordt het meer één geheel en is de sleep daardoor iets beter manoeuvreerbaar.

2 38

U moet afmeren aan lagerwal met de wind iets schuin van achter inkomend.

De beste volgorde voor het vastmaken van de landvasten is:

Toelichting op vraag 38

Bij lagerwal waait de wind naar de wal.

Omdat de wind iets schuin vanachter komt, als eerst de achtertros vastmaken.

Deze voorkomt dat het schip door de wind naar voren drijft. De achtertros houdt het schip op zijn plek.

2 39

U heeft een motorboot met buitenboordmotor die is voorzien van een stuurwiel.

Wat gebeurt er met de achterkant van de boot nadat u het stuurwiel naar stuurboord heeft gedraaid en dan achteruit vaart?

Toelichting op vraag 39

Het stuurwiel naar stuurboord, dan draait de buitenboordmotor naar stuurboord.
In de achteruit zal de achterkant van de boot de richting van de buitenboordmotor en de schroef volgen.
Met een buitenboordmotor stuur je met de schroef.
De achterkant gaat naar stuurboord.

3 40

Een klein motorschip met een rechtse schroef vertrekt van zijn stuurboordwal met behulp van een boegschroef.
De boegschroef duwt het voorschip naar bakboord.

Hoe stuurt u het achterschip van de kant af?

Toelichting op vraag 40


Het roer naar de kant. In dit geval stuurboord roer.
De schroef zachtjes in de vooruit. Het achterschip komt van de kant.Dan de boegschroef naar bakboord waardoor het schip evenwijdig van de kant komt.
Zodra ver genoeg van de kant wegvaren.

Stuurboord roer en de schroef in de vooruit is veel effectiever dan gebruik te maken van wieleffect in de achteruit.
Dat het schip een rechtse schroef heeft speelt hier geen rol.